Afgelopen november, op de dag van Schotland – Nederland, kocht ik op een boekenmarkt in Glasgow
A Glasgow Trilogy van George Friel, volgens de inleiding een van de belangrijkste naoorlogse Schotse schrijvers. Ik had het boek al vaker zien liggen (op de afdeling
local literature van Waterstone’s bijvoorbeeld) en het had een bepaalde aantrekkingskracht op me. Dat hebben sommige boeken nu eenmaal. Nu, voor een schappelijke tweedehand prijs, kon ik het dus niet laten liggen.

Het eerste boek van de trilogie heet
The Boy Who Wanted Peace (1964) en blijkt een verhaal in de traditie van
Lord of the Flies van William Golding (dat iedereen natuurlijk kent van zijn Engelse lijst). Het gaat namelijk over een groep jongens, een zogenaamde
brotherhood, die in de kelder van een school bijeenkomt. Dit alles natuurlijk in het diepste geheim. Als er in die kelder een enorme hoeveelheid geld wordt gevonden, breekt de pleuris uit.
In plaats financiële onafhankelijkheid en gemak zorgt het geld voor haat, nijd, machtsspelletjes, onzekerheid en andere vervelende dingen. In ieder geval heel anders dan hoofdpersoon en bendeleider Percy Phinn het zich had voorgesteld. Van zijn ideaal om net als zijn naamgenoot de dichter Shelly zich terug te trekken en zich vol op zijn aspiraties als dichter te storten, komt in ieder geval niets terecht.
Friel schrijft op een lichte en vaak humoristische toon. Het Glasgow accent wordt in de dialogen vaak fonetisch weergegeven. Hardop voorlezen brengt dan uitkomst. Daarnaast wisselt hij met een speels gemak van perspectief zonder dat het ingewikkeld of vervelend wordt. Misschien is er een uitgever die deze roman na veertig jaar nu eindelijk eens in het Nederlands wil uitgeven. Want hij is het waard.